Gebouwde omgeving in de Gelderse momentopname 2025
De gebouwde omgeving laat tussen 2021 en 2023 een uitstootdaling van circa 23% zien. Tegelijk is circa 23% van het 2030-potentieel gerealiseerd en blijft ongeveer 77% open. De grootste resterende hefbomen liggen bij warmtenetten voor woningen, warmtepompen in de utiliteitsbouw en isolatie van woningen.
Voortgang in woningen en utiliteitsbouw
Deze pagina is de voortgangslaag bij de eerdere Klimaatkansenkaart Gelderland 2023-2024. De 2024-pagina blijft de plan- en potentielaag; deze momentopname laat zien hoeveel tractie inmiddels zichtbaar is en waar versnelling nodig blijft.

Data en positie in de projectfamilie
Publicatie maart 2025. De analyse is gebaseerd op emissiedata tot en met 2022 en 2023. Registratiedata loopt enkele jaren achter op het publicatiemoment, waardoor een uitgave altijd de meest recente, volledig beschikbare datajaren gebruikt. Deze momentopname reflecteert op de Klimaatkansenkaart Gelderland 2023-2024, die is gebaseerd op data tot en met 2021.
De 2025-publicatie vervangt de eerdere Klimaatkansenkaart niet. De eerdere kaart blijft de plan- en potentielaag met 30 SMART-oplossingen. De Momentopname & Reflectie 2025 voegt een voortgangslaag toe: realisatie, tractie, resterende kloof en aandachtspunten richting 2030.
TTW voor uitstoot, WTW voor reductiepotentieel
- Uitstoot
- Directe emissies binnen de provinciegrenzen, volgens TTW: Tank-to-Wheel. Hoofdbron: emissieregistratie.nl.
- Reductiepotentieel
- Volledige ketenemissies, volgens WTW: Well-to-Wheel. Dit omvat emissies van bron tot gebruik.
- Verschil
- WTW ligt circa 5 tot 10% hoger dan TTW. Voor Gelderland is dat circa 9% in het raming-scenario en circa 5% in het ambitieus scenario.
- Dubbeltelling
- Dubbeltelling wordt vermeden. Alleen gerealiseerde maatregelen tellen als oplossing.
- Verdieping
- Methodepagina TTW versus WTW.
Emissie daalt, uitvoeringstempo blijft bepalend
De uitstoot van de Gelderse gebouwde omgeving is tussen 2021 en 2023 met circa 23% gedaald. De daling ligt net boven het landelijke gemiddelde en hangt samen met isolatie, warmtepompen en een dalend aardgasverbruik in woningen en utiliteitsbouw.
De daling is substantieel, maar nog geen sluitend bewijs dat de sector richting 2030 vanzelf op koers ligt. De resterende opgave zit vooral in het tempo waarmee bestaande woningen en utiliteitsgebouwen worden geïsoleerd, aardgasvrije warmte krijgen en worden aangesloten op passende warmtetechnieken.
Circa 23% gerealiseerd, 77% open
Binnen de gebouwde omgeving is circa 23% van het 2030-potentieel gerealiseerd. Daarmee blijft ongeveer 77% van het potentieel open. Dit maakt de sector tegelijk een voortgangssector en een versnellingsector.
Gerealiseerd
De emissiedaling laat zien dat de eerste laag van isolatie, warmtepompen en efficiënter warmtegebruik zichtbaar wordt in de cijfers.
Resterend potentieel
Het grootste deel van de opgave vraagt nog uitvoering: renovatietempo, financiering, installateurscapaciteit en gebiedsgerichte warmte-infrastructuur.
Grootste oplossingen in deze sector
De drie grootste resterende hefbomen binnen de gebouwde omgeving zijn warmtenetten voor woningen, warmtepompen in de utiliteitsbouw en isolatie van woningen. Samen vormen deze maatregelen de kern van de gebiedsgerichte warmte- en renovatieopgave.
| Oplossing | Potentieel ambitieus 2030 | Rol in de uitvoering |
|---|---|---|
| Warmtenetten woningen | 503 kton CO₂-eq/jaar | Grootste enkelvoudige hefboom. Vooral relevant in dichtbebouwde gebieden met geschikte bronnen zoals geothermie, aquathermie of restwarmte. |
| Warmtepompen utiliteitsbouw | 489 kton CO₂-eq/jaar | Elektrificatie van verwarming en koeling in kantoren, zorgvastgoed, scholen, winkels en andere utiliteitsgebouwen. |
| Isolatie woningen | 285 kton CO₂-eq/jaar | Basismaatregel voor lagere warmtevraag, lagere energielasten en geschiktheid voor lage-temperatuurverwarming. |
Wat gaat goed en wat blijft achter
Wat gaat goed
De emissiedaling is zichtbaar. Isolatie, warmtepompen en efficiënter energiegebruik leveren meetbare voortgang op. De gebouwde omgeving presteert daarmee beter dan sectoren waar emissies nog stijgen of nauwelijks dalen.
Wat blijft achter
Het renovatietempo blijft te laag. Financieringsdrempels, informatiedrempels, beperkte uitvoeringscapaciteit en schaarste aan biobased materialen remmen de opschaling.
Focus richting 2030
De focus richting 2030 ligt op een massale isolatie- en renovatiegolf, snelle opschaling van warmtepompen en gebiedsgerichte warmtenetten. Laaghangend fruit blijft belangrijk: slimme thermostaten, kierdichting, waterzijdig inregelen, warmwaterterugwinning en gebouwbeheersystemen kunnen snel bijdragen aan lagere warmtevraag.
De grootste versnelling ontstaat wanneer maatregelen worden gebundeld per wijk, vastgoedportefeuille of gebouwtype. Dat maakt collectieve inkoop, gestandaardiseerde renovatiepakketten, sociale prioritering en koppeling met netcapaciteit beter uitvoerbaar.
Doorkijk 2030-2050
Na 2030 verschuift de opgave van losse verduurzamingsmaatregelen naar structurele herinrichting van warmtevoorziening, materiaalgebruik en gebouwkwaliteit. Lage-temperatuurwarmte, warmtenetten, warmtepompen, seizoensopslag en vraagsturing worden dan sterker onderdeel van één energiesysteem.
De gebouwde omgeving wordt daarmee niet alleen een reductiesector, maar ook een materiaal- en opslagsector. Renovatie, biobased isolatie en houtbouw kunnen reductie van energievraag verbinden met tijdelijke tot middellange koolstofopslag in gebouwen.
Biobased bouwen als vastleggingslaag
Biobased bouwmaterialen leggen CO₂ tijdelijk tot middellang vast in gebouwen. Hout, vlas, hennep en andere vezelgewassen kunnen tegelijk de warmtevraag verlagen, fossiele materialen vervangen en koolstof opslaan zolang het materiaal in de gebouwde omgeving blijft toegepast.
Voor Gelderland is dit vooral relevant bij renovatie, isolatie en nieuwbouw. De sector gebouwde omgeving verbindt daarmee de warmteopgave met de bredere koolstofvastleggingsagenda.
Methode en bronnen
De uitstootontwikkeling wordt gelezen via TTW: directe emissies binnen de provinciegrenzen. Het reductiepotentieel van oplossingen wordt berekend via WTW: de volledige ketenemissies van bron tot gebruik. Deze scheiding maakt historische uitstootregistratie en oplossingspotentieel vergelijkbaar zonder dubbeltelling.
De cijfers ordenen kansen en zijn geen projectspecifieke garanties. Aannames, systeemgrenzen en bronverwijzingen staan volledig in de sectoranalyse en de methodologische bijlage.
Inzichten uit deze sector
Citeerbare cijfers, observaties en aanbevelingen uit de Momentopname & Reflectie 2025. Vrij te gebruiken onder CC BY 4.0, met bronvermelding.
De gebouwde omgeving laat tussen 2021 en 2023 een uitstootdaling van circa 23% zien. Tegelijk is circa 23% van het 2030-potentieel gerealiseerd en blijft ongeveer 77% open.
Warmtenetten voor woningen hebben binnen de gebouwde omgeving het grootste potentieel in het ambitieuze scenario: 503 kton CO₂-eq per jaar richting 2030.
De belangrijkste vertraging zit in het renovatietempo, financierings- en informatiedrempels, uitvoeringscapaciteit en de beschikbaarheid van biobased materialen. Daardoor is voortgang zichtbaar, maar nog niet snel genoeg.
De uitstootontwikkeling volgt TTW: directe emissies binnen de provinciegrenzen. Het reductiepotentieel van oplossingen volgt WTW: de volledige ketenemissies van bron tot gebruik. Dit voorkomt methodische verwarring en dubbeltelling.
Biobased bouwmaterialen kunnen de warmtevraag verlagen, fossiele materialen vervangen en CO₂ tijdelijk tot middellang opslaan in gebouwen. Daarmee koppelt de gebouwde omgeving reductie aan koolstofvastlegging.
Verder lezen
Van momentopname naar uitvoeringsagenda
Een regio, gemeente of keten kan de stap maken van potentiekaart naar voortgangsmeting, prioritering en concrete uitvoeringsagenda.
Bekijk de aanpak